‘’Niet wie te weinig heeft is arm, maar wie meer wil hebben’’

 

je verdwijnt
terwijl je blijft
voel je in alles
maar grijp mis
en ik tast
in het duister
waar ik fluister
dat ik je mis

ik zie je strijden
en kijk mijn eigen
diepe pijnen
regelrecht
in de bek
ik voel ze
schrijnen
mijn hart bloedt
en ook ik vecht
om te blijven

waanzin aangetikt
aan, en getikt

je glipt
en we hebben
geen grip

als blikken
van de ogen
der kritiek
konden doden

dan stierf
het gros van de mens
een pijnlijke dood
uit liefdesnood

als zachte ogen
de blik der liefde
jegens onszelve
eens overwogen

dan is de mens in staat
de tijd pijnloos te doden
zichzelf te bekijken
met warme ogen

bloeddorstigheid ten tonele gebracht
als zijnde een dierlijk gepassioneerde
de scheidingslijn draadkrachtig
gesponnen in misplaatste weelde
om kapot te vrijen

langs een palet aan emoties

voeren wellustige, weerbarstige lijven
gespeend van nuance
vurige conversaties doordrenkt van
onverteerbare hunkering


overspoelde mengelmoes

allegaartje aan gemoederen
onderhevig
aan besmeuren van kleuren
gesmeerd door de geuren
lossen de lijven op
in de eeuwigheid der verlangen